|
De ontwikkeling van de atelierwoning ten tijde van de Larense School (1901-1939)
Al vanaf 1870 bezochten met name de schilders van de Haagse School met enige regelmaat het Gooi, vooral Laren en Blaricum, maar ook wel andere Gooise dorpen. De in Laren geschilderde doeken waren internationaal zeer gewild. Vanaf het einde van de negentiende eeuw kwam de stroom kunstenaars pas goed op gang, onder wie enigen die internationaal naam zouden gaan maken, zoals Bart van der Leck, Piet Mondriaan en Jan Sluijters. Van kortstondige zomerse bezoeken werd Laren allengs een permanent bewoonde kunstenaarskolonie. Tussen 1907 en 1925 steeg het aantal Nederlandse kunstenaars dat zich gevestigd had in Laren van vijftig naar tachtig. Daardoor ontstond een grote behoefte aan atelierwoningen.
drs. mr. Erik H. Mattie
De schilders die in de negentiende eeuw t Gooi aandeden, verbleven doorgaans korte tijd in Laren op een tijdelijk logeeradres, in een huurhuis of hotel. De schilders die zich als eersten blijvend vestigden in Laren waren Albert Neuhuys (1844-1914) en Anton Mauve (1838-1888), respectievelijk in 1883 en 1886. De vrijwel ongerepte natuur met eenvoudige boerenbevolking vormde een ideaal décor voor kunstenaars die het stadsleven wilden ontvluchten. Bovendien werkte het gebrekkige openbaar vervoer relatief goedkope woonprijzen in de hand, een voor schilders aantrekkelijk alternatief. Zo kon de kunstenaar één zijn met zijn onderwerp: het boerenleven.
Behalve de natuur vormde ook het interieur van de Gooise boerderij een dankbare bron van inspiratie. De Gooise dwarsdeelboerderij behoort tot het hallenhuistype, dat in het oosten van ons land wijd verspreid is. Kenmerkend voor dit type woonhuis zijn de lage muren met een ver naar beneden doorgetrokken rieten kap,. Alle woonvertrekken zijn daardoor op de begane grond gesitueerd, behalve aan de kopse kant van het woongedeelte. Het metselwerk loopt echter ook hier zelden uit in een topgevel, omdat aan deze zijde de rieten kap sterk overkraagt (wolfseinde). De vensters kennen een roedeverdeling in kleine ruitjes, in tegenstelling tot het stadswoonhuis, waar de vensteroppervlakte in de loop van de negentiende eeuw steeds groter was geworden. De deuren zijn vaak in tweeën gedeeld, met smeedijzeren deurbeslag. De kap werd ter plaatse van de baanderdeuren de hoge deuren die zich dwars op de deel aan de zijkant bevinden, en waardoor de hooiwagens naar binnen konden rijden opgetrokken.
De kap kent bijna altijd monumentale proporties. Hier moest immers de hooivoorraad voor de winter bewaard worden. Een dergelijke onregelmatig gevormde, expressieve hoge dakbedekking sprak zeer tot de verbeelding en zou later in de (atelier)woning vaak bewust worden nagestreefd. De gelijkenis met de boerderij zou zich overigens alleen maar uitstrekken tot het uiterlijk en niet tot de plattegrond. De Gooise boerderij was logisch geordend met het driebeukig bedrijfsgedeelte als uitgangspunt. In het midden de werkvloer en aan de zijkanten de stallen. De atelierwoning kent uiteraard een geheel andere bedrijfsvoering.
In de negentiende eeuw namen schilders niet zelden hun intrek in de bestaande bebouwing, in die tijd nog zeer betaalbaar. Een enkele keer werd aldus een boerderijgedeelte verbouwd tot atelier, maar vaak beperkte de atelierruimte zich tot een andere inrichting van het stalgedeelte. Een laat voorbeeld van een tot atelier-woonhuis verbouwde boerderij was het atelier van de kunstenaar Henri van de Velde (1896-1969) door Wouter Hamdorff. Binnen de architectonische ontwikkeling heeft dit mengvormtype echter geen noemenswaardige rol gespeeld.
De atelierboerderij
Een van de eerste echte atelierwoningen is landhuis Thea te Blaricum, in 1901 ontworpen door architect Willem Bauer (1862-1904) broer van de oriëntalistische kunstenaar Marius (1867-1932) voor de bekende schilder van strandgezichten Jan Zoetelief Tromp (1872-1947). In uiterlijk lijkt de atelierwoning sterk op de Gooise boerderij. De woning grijpt terug op de eenvoudige landelijke bouwkunst en bezit een rieten kap. Dat lijkt tegenwoordig vanzelfsprekend voor een landhuis, maar dat was het in die tijd zeker niet. Riet, altijd in ruime mate voorradig, was in feite dakbedekking voor mensen die zich de duurdere gebakken pannen niet konden veroorloven betalen en was dus eigenlijk in de landhuisbouw de goedkoopste oplossing.
Ook de Larense woning met atelier uit 1902 (uitgebreid in 1913) aan de Drift 21-21A voor kunstenaar en latere directeur van de Rijksakademie te Amsterdam Richard Roland Holst (1868-1938) en zijn vrouw, de socialistische dichteres Henriëtte (1869-1952), bezit reeds deze pittoreske kwaliteiten, maar is overigens typisch Berlagiaans van stijl. De rieten kap, het ver doorgetrokken dakschild en de kleine roedeverdeling zijn overgenomen uit de boerderijbouw. De gevelgeleding en het gefragmenteerde hoofdvolume zijn Berlagiaans. Aangezien het niet een echte boerderij betrof, maar een atelierwoning voor een redelijk succesvol kunstenaar, waren net als landhuis Thea ook op de verdieping vertrekken ingericht. Deze tweede woonlaag leidt tot een andere gevelindeling, maar de rieten kap werd, waar dat mogelijk was, zo veel mogelijk doorgetrokken tot over de eerste bouwlaag. De betere atelierwoningen combineerden feitelijke elementen uit de boerderijbouw met het eveneens in opkomst zijnde type van de Gooise villa. Het derde ijkpunt is het landhuis met rieten kap dat in 1903 door Jan Gratama (1877-1947) en S. de Clerq aan de Larense Brink is ontworpen.
Een onvermijdelijke toevoeging aan het boerderijtype was de hoge atelierruimte met een groot raam op het noorden. De oriëntatie heeft consequenties voor de plattegrond en het hoge venster voor het bouwvolume en de kap. De oplossing werd gevonden in de hoge baanderdeuren: in plaats van de wagendeuren werd het hoge atelierraam geplaatst en in de villabouw gaf een dergelijk hoog raam licht aan de hall, naar Engels voorbeeld.
Een andere oplossing vormt het in 1912 gebouwde atelier van getalenteerde tekenaar, etser en beeldhouwer Joseph Mendes da Costa (1863-1939). Het ontwerp is van de architect van de Amsterdamse School Alexander Jacobus Kropholler (1882-1973), geen specialist in villas, wel een architect van naam en faam. Het atelier sluit duidelijk aan op het Gooise boerderijtype maar toont daarnaast verwantschap met de door Kropholler sterk bewonderde vormentaal van Berlage. Kenmerkend voor Kropholler zijn de ambachtelijk siersmeedijzeren muurankers. De grote atelierramen bieden zicht op de (inmiddels geasfalteerde) zandweg. Het stenen beeldje boven de ingang is van Mendes zelf en stelt een boerin met een korenschoof en lammetje voor. De voorstelling is zowel agrarisch als symbolisch te duiden (gedachtenis aan het bovenaardse), dus net als het boerderij-atelier een versmelting van de schilder met zijn onderwerp.
Een tweede type
Een ander landelijk type was de houten schuur of schaapskooi, met gerabatte of gepotdekselde, zwart geteerde delen, onder een met riet gedekt zadeldak. Dit type werd al door Bauer toegepast toen hij voor de idealistische Waldenkolonie van de dichter Frederik van Eeden (1860-1932) een houten hutje te Bussum ontwierp. Enige jaren later ontwierp Ru Mauve (1878-1965), zoon van de schilder van schaapskudden Anton Mauve, een houten huis binnen dezelfde kolonie. Tezamen met de architect Theo Rueter (1876-1963) die vanaf 1901 de kolonie versterkte, maar ook met anderen, zouden deze architecten nadien nog meer houten (atelier)woningen ontwerpen.
De detaillering van dergelijke kleinschalige atelierwoningen sloot aan bij de boerderijbouw: zware houten kozijnen, kleine ruitjes, gedeelde deuren, gietijzeren hang- en sluitwerk en andere ambachtelijkheid. Dit type was minder geschikt voor permanente bewoning, veel kleiner en kouder in de winter, maar paste beter bij de idealistisch ingestelde kunstenaar dan een atelierwoning waar de nadruk op het villagedeelte lag. Vaak was dit type, met slechts één (slaap)kamertje dan ook meer atelier dan woonhuis.
Een goed voorbeeld van dit type is het helaas vorig jaar in Blaricum gesloopte atelier van de kunstenares Loe Louber (1894-1983) uit 1913. De atelierfunctie was duidelijk afgescheiden van het kleine woongedeelte, onder een eigen kap met een eigen ingang. Het woongedeelte bestond uit één kleine kamer onder een piramidedak. Het ateliergedeelte was vanwege het atelierraam hoger opgetrokken onder een afgewolfd schilddak, in dit geval met rode pannen gedekt. Het tussengedeelte was bestemd voor wassen en koken. De houten wanden van het atelier waren gerabat, dus met mes en groef in elkaar gestoken.
Mengvormen
Landhuizen en ateliers werden al gauw door specialisten ontworpen, waarbij een zekere eenvormigheid niet kon uitblijven. Tot de specialisten behoorden Rueter, Hamdorff en J. Rebel. Opvallend is het dat de laatste twee ook woonhuizen met atelier voor zichzelf ontwierpen, op exact dezelfde wijze als voor de beeldend kunstenaars. De woning die Rueter voor zichzelf ontwierp (Noolseweg 25-25A) was in hoofdvorm niet op de Gooise boerderij geïnspireerd, maar had wel een rieten kap en gepotdekselde wanden. De eenvormigheid kon moeilijk doorbroken worden omdat de in 1912 ingestelde schoonheidscommissie het traditionele type woning met rieten kap verdedigde. Leden van de commissie waren onder andere Rueter zelf en Hamdorff.
Over het geheel genomen komt de zuivere vorm van een der beide types overigens minder vaak voor dan mengvormen, uitzonderingen of gewoon minder geslaagde voorbeelden. Zoals het zich laat aanzien ontstonden de afwijkende atelierwoningen doordat niet alle schilders in Laren en Blaricum tot de Larense School behoorden. Niet alle schilders zagen dus in de Gooise boerderij een ideaaltype voor het uitvoeren van hun werkzaamheden. Eén der opvallendste uitzonderingen is wel de Larense atelierwoning uit 1903 van kunstenaar en latere directeur van de Rijksakademie Antoon Derkinderen (1859-1925) aan de Naarderstraat 67. Deze woning grijpt niet terug op de boerderijbouw, maar op middeleeuwse baksteenbouwkunst. Dit had alles te maken met het feit dat Derkinderen in spirituele zin juist door deze periode gefascineerd was. Het metselwerk met vlechtingen in de tuitgevels en de houten kruiskozijnen gaan rechtstreeks terug op de middeleeuwen en ook het rondgebogen atelierraam doet sterk aan een middeleeuws kerkvenster denken. De kap is bovendien met pannen en niet met riet bedekt.
Nieuwe Zakelijkheid
De ontwikkeling van de atelier-woning was in de jaren twintig wel uitgekristalliseerd en zou pas met de komst van de Nieuwe Zakelijkheid weer een nieuwe impuls krijgen. Echter, niet in het Gooi, waar de modernistische stroming vanaf haar ontstaan in de ban was gedaan. Een van de zeldzame voorbeelden van een woonhuis-atelier uit de tijd van de Nieuw Zakelijkheid is dat van de architect F. Hausbrand (geb. 1900). De atelierwoning die niet na de nodige discussie tot stand kwam in 1934-35, is opvallend genoeg niet voorzien van een plat dak, zoals gewoonlijk bij de modernisten, maar van een zadeldak.
Na 1925 nam het aantal kunstenaars van enige naam en faam in t Gooi geleidelijk af. Atelierwoningen werden nog wel gebouwd, maar het hoogtepunt was bereikt en het kunstenaarsleven stierf na de Tweede Wereldoorlog, toen Laren definitief meer villapark dan kunstenaarskolonie was geworden, een zachte dood in het Singermuseum.
Erik Mattie is architectuurhistoricus
Wilhelm Cornelius Bauer (1862-1904)
Landuis Thea te Blaricum (ontworpen 1901)
Woonhuis van de schilder Jan Zoetelief Tromp (1872-1947).
Hendrk Petrus Berlage (1856-1934)
Landhuis De Heidreef te Laren (ontworpen 1902)
Woonhuis van de schilder Richard Nicolaus Roland Holst (1868-1938)
Alexander Jacobus Kropholler (1882-1973)
Landhuis te Laren (uitgevoerd 1912)
Woonhuis van Joseph Mendes da Costa (1863-1939)
Bron: Studio 2000 Blaricum
|
|
|